De zeldzaamste kleurstoffen, onderdeel van een reeks (nu) zeldzame natuurlijke kleurstoffen, zie ook de blog over Murex en Kakishibu.

Kermes is een van insecten afkomstige kleurstof, behorend tot de groep van anthrachinon kleurstoffen, waaronder:
Armeense cochenille
(Porphyrophora hamelii) - karmijnzuur + kermeszuur
Cochenille
(Dactylopius coccus) - karmijnzuur (CI 75470 Natural Red 4)
Poolse cochenille
(Porphyrophora polonica) - karmijnzuur + sporen van kermeszuur
Kermes
(Kermes ilicis) - kermeszuur (CI 75460, CI natural red 3) + flavokermeszuur. Kermes bevat ook 18-32% tannines.
Lac (Kerria lacca) - laccaïnezuur (CI 75450, Natural Red 25)

Waar het vandaan komt
De heuvels en bossen in mijn regio zijn bedekt met laagblijvende eiken van de soort Quercus coccifera. Kleine, stevige, wintergroene en droogtetolerante eiken die inheems zijn in het bredere Middellandse Zeegebied, van Marokko tot Frankrijk, en van Portugal tot Cyprus en Turkije, via Spanje, Italië, Libië, de Balkan en Griekenland, inclusief Kreta.
Tussen de stekelige blaadjes die bijna op hulst lijken, vind je een zeldzaam geheim, en als je er niet naar op zoek was, zou je het nooit opmerken: Kermes.
Ze zitten goed verstopt en ik maakte een speciale tocht met een expert in wildplukken, Nachman Glazer, zodat hij ze me kon aanwijzen. Niet alle eiken hebben ze, alleen deze specifieke soort. En van deze specifieke soort zijn niet alle bomen aangetast door wat in feite een soort plaag is. Eén ding is zeker: zodra je ze ziet, zijn ze makkelijker te herkennen.
Kermes zijn insecten uit de orde van de Hemiptera, in het Nederlands vaak wantsen genoemd, met stekende en zuigende monddelen. De mannetjes hebben vleugels maar geen mond, en de vrouwtjes hebben een mond maar geen vleugels. Ze hechten zich met hun snavelachtige monddelen vast aan de eik en voeden zich met het sap, terwijl ze onbeweeglijk blijven. Na de paring zwelt het bevruchte vrouwtje op en brengt ze kleine nimfen voort die kunnen kruipen, op de foto zie je die kleine rode stipjes, dat zijn de nimfen.
Etymologie
Het woord kermes komt van het Sanskrit-woord कृमिज of kṛmija, wat "door wormen gemaakte rode kleurstof" betekent, daarna werd het door de Perzen (en later ook in het Arabisch) overgenomen als قرمز qermez en vandaar was het maar een korte stap naar het Franse kermès en de Engelse term Kermes.
Coccus ilicis is de Latijnse naam voor kermes: De onbeweeglijke larve lijkt op een bes, dus in het Grieks was het woord daarvoor "kokkos": een zaad of korrel. In het Latijn werd dit "coccus" en dat woord werd de synoniem voor 'scharlaken kleurstof afkomstig van bessen'.
In het Hebreeuws, betekent het woord Shani " שָנִי" zowel de kermes-kleurstof als de kleur. Deze kleur had een zeer belangrijke religieuze functie.
Historische verwijzingen en gebruik
Kermes-insecten werden sinds de oudheid gebruikt als rode kleurstof door de oude Egyptenaren, Indiërs, Grieken, Romeinen en Iraniërs. We vinden een verwijzing naar kermes op 5000 jaar oude Soemerische kleitabletten.
“Neem witte wol en aluin, spreid (ze) gelijkmatig uit in water, en laat sudderen boven de kolen. Stamp ḫatḫurētu (kermes) samen met bronwater fijn en neem de witte wol op, spreid ze gelijkmatig uit. Laat sudderen in (gewoon) water en water uit (potten)bakkersklei boven de kolen. (Je zult) argamannu-paarskleurige wol verkrijgen (normaal gesproken verkregen uit de afscheidingen van de veel duurdere Murex-zeeslakken).”
(Alchemistische” tablet K 7942+)
Potten met kermes zijn gevonden in een neolithische grotbegrafenis in Adaouste, ten noordoosten van Aix-en-Provence.
Kermes (Shani) wordt 25 keer genoemd in het Oude Testament, waar het wordt vertaald als scharlaken, een rode kleur die naar oranje neigt, de kleur van vuur. Er wordt beschreven dat het gebruikt wordt voor rituele reiniging en genezing van melaatsen, voor gebruik in de as van de rode koe, en als rode kleurstof voor de gordijnen van de Heilige Tempel.

Exodus 26:1 “Maak nu de tabernakel met tien doeken van fijn geweven linnen, blauw, purper en scharlaken garen; met cherubijnen daarop moet u ze weven.”
Als onderdeel van de tempeldienst op Jom Kippoer zou een man de zondebok wegbrengen naar een ravijn op enige afstand en een scharlaken wollen draad aan zijn horens vastbinden.
Vanaf de Middeleeuwen werd kermes in alle West-Europese talen grain/grana genoemd en textiel dat met kermes was geverfd werd beschreven als geverfd in the grain.
Kermes werd in Europa gebruikt om wol en zijde rood te verven, totdat geïmporteerde cochenille uit Zuid-Amerika vanaf ongeveer 1540 door Spanje begon te worden verkocht, waarna het langzaam in onbruik raakte.
Er zijn sporen van kermes gevonden in Kretenzische iconen die dateren van vóór het midden van de 16e eeuw.
Voor een nagemaakte Tyruspurper zou wol blauw worden geverfd met wede, en daarna gemordanteerd en met kermes geverfd. De hoeveelheid werk en de hoeveelheid kermes die nodig was, ongeveer 50% van het vezelgewicht, maken het tot een zeer dure kleurstof die alleen werd gereserveerd voor de meest luxueuze stoffen.

De wollen hoofdtooi die bekendstaat als Fez (een symbool van het Ottomaanse Rijk en tot de 19e eeuw veel gedragen door moslims en joden), werd traditioneel met kermes geverfd. Tegenwoordig doet niemand dat meer en is de kennis verloren gegaan.

Verven met Kermes
Tegenwoordig heeft het geen zin om op grote schaal met Kermes te verven, omdat alleen al de arbeidskosten het erg duur maken. Een gram kermes verzamelen kan gemakkelijk twee uur duren, een klus die in 'vroeger tijden' was weggelegd voor vrouwen en kinderen, die één lange vingernagel lieten groeien om het insect gemakkelijk van de boom los te maken. Na het verzamelen moet de kermes met azijn worden gestoomd en gedroogd.
Vroeger werd geprobeerd een soort kermes-teelt op te zetten, maar de inzet was hoog en de opbrengst was wisselvallig.
Uiteindelijk stapten de meeste ververijen, na de ontdekking van heldere roodtinten met tinmordant en cochenille, over op cochenille. Cochenille kan het hele jaar door en in grotere hoeveelheden worden verzameld, en het is ook een veel krachtigere kleurstof: Het percentage karmijnzuur in cochenille is veel hoger dan het percentage kermeszuur in kermes.
Ik heb een proef gemaakt om met Kermes te verven van wat ik in mijn voorraad had, en ik geef toe dat het de mooiste roodtint is die ik ooit heb gezien, veruit mooier dan cochenille en meekrap. Het gevoel om met een kleurstof te werken die zo'n rijke geschiedenis en symbolische betekenis in mijn cultuur heeft, is werkelijk ongeëvenaard.
Voor mijn proefstukken nam ik 11 gram gekookte wol en zijde. Deze werden gemordanteerd met 24% WOF aluin en 6% wijnsteenpoeder (dit is nu mijn meest gebruikte beitsmiddel).
Daarna maakte ik een verfbad met 5.5 gram fijn gemalen Kermes en liet ik de monsters daar 1.5 uur in bij 60ºC. Daarna liet ik het een nacht in het verfbad staan, waarbij de kleuropname veel verbeterde.
Spelen met pH: door toevoeging van azijn werd de verf zeer oranje, en door het met soda te verhogen naar pH8 werd het diep, diep rood.
Rechts: de oranje zure toestand, midden en links: pH8.



Ik beloof je dat het gelijkmatig geverfd is, het licht zorgde voor veel schakeringen op het proefstuk. Belangrijke opmerking: het rood trok bijna volledig in de wol en veel minder in de zijde, terwijl toen ik een vergelijkbare set proefstukken met meekrap verfde, de meekrap zowel de zijde als de wol verfde zonder noemenswaardig verschil in verzadiging.















0 reacties